vorige  |  volgende
gaffellibel  (Ophiogomphus cecilia)

Zeldzame rombout met grasgroene kop en grasgroen borststuk.

Onderorde

libellen

Familie

rombouten (Gomphidae)
meer informatie over deze familie »

Kenmerken

50-60 mm. Meestal direct te herkennen aan de grasgroene kleur van kop, ogen, borststuk en begin van het achterlijf. Achterlijf verder zwart met een reeks lange, ingesnoerde en spits toelopende gele vlekken op de rug (bovenaanzicht). Borststuktekening met smalle groene lijnen en een gereduceerde eerste zijnaadstreep. Bij jonge of heel oude individuen is de kenmerkende groene kleur soms niet zichtbaar of onopvallend. Mannetje: duidelijke knotsvormige verbreding aan het einde van het achterlijf (segmenten 7-10). Vrouwtje: vergelijkbaar getekend als mannetje, maar met breder postuur en nauwelijks knotsvormige verbreding van het achterlijf.

Gelijkende soorten

Andere rombouten, vooral plasrombout, beekrombout en kleine tanglibel. Vooral gaffellibellen met weinig groen kunnen bedrieglijk veel op andere soorten lijken. Aan de andere kant krijgen beekrombouten vaak een groenige grondkleur.

Dit verspreidingsbeeld is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting. Het ontbreken van stippen op de kaart betekent dus niet per se dat de soort daar niet voorkomt. Het kan ook betekenen dat de soort er wel zit, maar dat we daar vandaan (nog) geen waarnemingen ontvangen hebben.
  Klik op het kaartje voor een vergroting

Dit vliegtijdendiagram is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting.

Voorkomen

Zeer zeldzaam

Habitat

Rivieren en grotere beken.

Vliegtijd en gedrag

Van eind mei tot in september, maar vooral in juli en augustus. Gaffellibellen die nog niet geslachtsrijp zijn, kunnen ver van het water vandaan vliegen om te fourageren en te rusten. Deze dieren zijn vaak zonnend op de grond, een boomstam of een steen te vinden. Beschutte bosranden en zonnige bospaden zijn favoriet. Geslachtsrijpe mannetjes keren terug naar het water waar ze langs de kant en boven het water patrouilleren. Hierbij gaan ze vaak zitten op een steen, een kaal stukje grond, of een uitstekende tak. Vrouwtjes zetten de eitjes af in open water, in de vorm van eiklompjes die eerst uit het achterlijf worden geperst.

Levenscyclus

De larven overwinteren drie, soms twee of vier keer. Uitsluipen gebeurt vanaf eind mei tot in augustus.

Laatste wijziging: 8 februari 2010
Meer over deze soort:
Foto: Kim Huskens
Mannetje
Roerdal - 1 augustus 2009
Foto: Niels Sloth
Vrouwtje
Denemarken - 7 augustus 2007
Foto: Kim Huskens
Roer
 meer foto's »