vorige  |  volgende
beekrombout  (Gomphus vulgatissimus)

Donkere, plompe rombout, van beken en riviertjes.

Onderorde

libellen

Familie

rombouten (Gomphidae)
meer informatie over deze familie »

Kenmerken

45-50 mm. Plomp gebouwde en donker getekende rombout. Poten vrijwel geheel zwart. Gele grondkleur van kop, borststuk en achterlijf wordt groenig naar mate de dieren ouder worden. Zwarte tekening op achterlijf uitgebreid. Gele lengtestreep over het midden van de achterlijfsrug stopt op segment 7, waardoor de laatste drie segmenten in het midden zwart zijn (bovenaanzicht). Borststuktekening: zwarte schouderstreep en schoudernaadstreep breed, daartussen slechts een smalle gele streep. Mannetje: achterlijf met duidelijke knotsvormige verbreding ter hoogte van segmenten 7 tot 10. Vrouwtje: breder postuur en nauwelijks knotsvormige verbreding van het achterlijf.

Gelijkende soorten

Andere rombouten.


  Klik op het kaartje voor een vergroting



Voorkomen

Zeldzaam

Habitat

Grotere beken en kleine rivieren. Soms ook in grote rivieren en in kanalen.

Vliegtijd en gedrag

Vroeg: eind april tot eind juli. De meeste waarnemingen hebben betrekking op jonge imago’s in mei en begin juni. Na het uitsluipen verspreiden de imago’s zich in de wijde omgeving van het voortplantingswater, waar ze niet vaak meer worden waargenomen. Soms zijn beekrombouten jagend aan te treffen boven ruige vegetatie of langs bosranden. Geslachtsrijpe mannetjes keren terug naar het water en patrouilleren enige tijd langs de waterkant, waarbij ze vaak gaan zitten. Vrouwtjes die naar het water terugkeren worden direct betrokken in de paring. Eitjes worden door het vrouwtje afgezet in open water, in klompjes van enkele honderden eitjes.

Levenscyclus

De larven overwinteren meestal drie, soms twee of vier keer. Uitsluipen vindt plaats vanaf eind april tot begin juni, met een piek in midden mei.

Laatste wijziging: 3 december 2012