
ZOEKFUNCTIESof zoek via: |
noordse glazenmaker (Aeshna subarctica)
Zeldzame dubbelganger van de venglazenmaker, bij vennen met hoogveenvorming. OnderordelibellenFamilieglazenmakers (Aeshnidae)meer informatie over deze familie » Kenmerken70-76 mm. Moeilijk van de venglazenmaker te onderscheiden (zie: “gelijkende soorten”). Achterlijf donker met mozaïektekening van licht gekleurde vlekken. Zijkant borststuk donker, met twee brede gele banden, die vaak grotendeels blauw getint zijn (mannetjes). Daartussen bevinden zich geelblauwe vlekjes die vaak een doorlopende smallere ‘tussenband’ vormen (grootvlekkige vorm). Langs de voorrand van de voorste brede gele band loopt meestal nog een extra dunne lichte lijn (grootvlekkige vorm). De zwarte lijn tussen voorhoofd en kopschild (vooraanzicht kop) is bij de oogrand niet versmald, soms zelfs verbreed. De achterzijde van de ogen is geheel donker, zonder gele vlek. Voorrandader van de vleugels bruin. Mannetje: maakt vaak een fletse indruk. Ogen bruinblauw. Bovenzijde achterlijfsegmenten met twee vrij kleine, ovale, fletsblauwe vlekken aan de achterrand. Op het midden van de segmenten staan twee gelige, hoekige vlekjes. De voorrand van de middelste achterlijfssegmenten is vaak licht gekleurd. De kleur van de lichte vlekken op het achterlijf kan variëren van blauw en geel, tot eenkleurig gelig of bijna wit. Schouderstrepen doorgaans lang en meestal hamervormig verbreed (grootvlekkige vorm). Vrouwtje: Ogen bruin met groen. Schouderstrepen kort. Pterostigma’s donkerbruin. Achterlijfstekening als mannetje, maar met kleinere vlekken die bovendien allemaal geel tot groen zijn.De kleinvlekkige vorm lijkt qua borststuktekening sterk op de venglazenmaker. Bovendien zijn de vlekken en streepjes op het midden van de achterlijfssegmenten kleiner, net als bij venglazenmaker. De zwarte achterkant van de ogen, de niet smaller wordende zwarte lijn op het gezicht en de vorm van de achterlijfsaanhangsels van de vrouwtjes blijven goede kenmerken, die in vlucht echter niet te zien zijn. Gelijkende soortenDe algemenere venglazenmaker, die vaak in dezelfde habitat aanwezig is.Klik op het kaartje voor een vergroting VoorkomenZeldzaamHabitatHoogveen en vennen met hoogveenverlanding. Voorwaarde is een dichte veenmosvegetatie, meestal bestaande uit zowel drijvende als bultvormende veenmospakketten.Vliegtijd en gedragLaat vliegende soort: half juli tot oktober. Hoofdvliegtijd van half augustus tot begin september. Noordse glazenmakers zijn vooral ’s ochtends bij het water actief, in tegenstelling tot de venglazenmaker die vaak bij hetzelfde water voorkomt. Vroeg in de ochtend zijn noordse glazenmakers regelmatig zonnend aan te treffen op een lichte ondergrond, bijvoorbeeld een berkenstam. Als het warm genoeg is patrouilleren de mannetjes boven het water en de oevervegetatie. In de middag vliegen veel dieren weg van het water om te jagen en te rusten op heidevelden en langs bosranden. Bij het water zijn dan vooral venglazenmakers aan te treffen. Het vrouwtje zet solitair de eitjes af in veenmossen.LevenscyclusMeestal drie overwinteringen voor het uitsluipen, soms ook twee of vier. De eerste winter wordt doorgebracht in het eistadium, de overige winters als larve. Uitsluipen gebeurt in juli tot en met september, de meeste in augustus.Laatste wijziging: 8 februari 2010 |
Meer over deze soort:
Foto: Albert Vliegenthart Mannetje 30 september 2006 Foto: Eelke Schoppers Paringswiel Balloo - 2 september 2006 |
|

